Ik ben een voormalig stuurman, die zijn anker heeft uitgegooid in Rotterdam. Na vrolijk rum drinken, superjachten poetsen en stadjes en schatjes, onstond er vier, vijf jaar geleden de onbedwingbare behoefte om iets creatiefs te doen.

Verwonderlijk, want dat was na de tekenles in de vierde klas middelbare school niet meer voorgekomen. Ik wist ook niet zo goed wat. Maar tijdens een bezoek aan een galerie aan de Rivièra, waar een beeld stond van hout en oud ijzer, viel alles op z'n plaats. 

Ik was aan het werk op een scheepswerf in Italië, met drijfhout en schroot in overvloed. Dit heb ik, hier kan ik wat mee, dat wil ik, dit vind ik leuk.

In zeeën, meren, rivieren, bossen en heidevelden op zoek gegaan naar hout. Hout waarin beweging zit, waarin iets gebeurt. Het hout bepaalt. Het dicteert als vanzelf de vorm van de vis. Een vraatzuchtige rover of een bellenblazend dikkerdje.

En de rest volgt. Van rommelmarkten, houtzagerijen, kringloopwinkels, oudijzerboeren, scheepswerven en de straat. Soms als vanzelf, soms na maanden vorsen, peinzen en dubben.

Vorm en functie veranderen van plaats. Een koperen moertje van een generator wordt een vissenoog, een stok voor de hond een hongerige roofvis, grootmoeders tierelantijntjes een vissenkop, roestig prikkeldraad een staartvin.

Daar zit het plezier. Verschillende en onverwachte materialen en voorwerpen samenvoegen tot iets dat zo wegzwemt.

 

 

( Peter Bühler, Voorburg, 1973, autodidact )